
Het beloofde een onvergetelijke avond te worden.
Feest, feest en nog eens feest. Driewerf feest.
Hij had er dan ook zin in en besloot zich passend te kleden.
De voorbereiding op de party van het jaar vereistte echter toch wel enige aandacht.
Naakt en onbedorven stond hij voor de spiegel en nam het ontegenzeggelijk wijze besluit om bij het begin te beginnen.
De onderkleding.
Die zou bij voorkeur moeten bestaan uit iets comfortabels. Niet te krap, maar zeker niet te ruim. Met een zwart zomerjurkje uit de collectie van Hennes en Mauritz leek dit probleem afdoende getackeld.
De sokken vormden het volgende aandachtspunt en daarvoor had hij een paar fijne ovenwanten met sex-pistolsprint in gedachten.
Lekker warm en toch helemaal van deze tijd.
Een zelfgebreid hansopje en beenwarmers met bretels deden oude tijden herleven en voor de landelijke sfeer die op zo’n avond toch ook zeker enige aandacht verdiende nagenoeg onmisbaar.
Als schoeisel verkoos hij een combinatie van spaanplaat en ducktape terwijl hij, om het geheel te completeren, speelde met de gedachte zijn felgekleurde duikbril van zolder te halen.
Om diverse redenen zag hij hier later van af, zijn keuze viel uiteindelijk op een fijne zilverkleurige pruik en wat herdrukken van oude Candys.
Dat hij die laatsten zelf had gescand en geprint zou bijna niemand opvallen.
Alleen de echte kenners, mensen die er oog voor hebben, ja hen zou een dergelijk detail niet ontgaan.
Desalniettemin een eye-catcher en tevens zou hij zo een fraai selectiemedium in handen hebben om te bepalen met wie hij die avond al dan niet gezien zou willen worden.
Om ook de antiekliefhebbers te verleiden tot een aangename causerie stak hij zich wat zilveren vorken in de rug, afkomstig uit de besteklade van Grootmoeder Himmler.
Ach, die heerlijke tijd dat de familie nog werkelijk zowel geld alsook een reputatie te verliezen had.
De finishing touch bestond uit een overbroek van krimpfolie, die hij eigenhandig in model wist te brengen met een bunsenbrander.
Hier had hij in de loop der jaren zo zijn eigen methode voor ontwikkeld en hij was dan ook meestal zeer verguld als men hem complimentjes gaf of anderszins liet blijken erg gecharmeerd te zijn van de perfecte pasvorm.
Zijn penis bleef net zichtbaar, maar zonder overdreven vertoon van ontsierend schaamhaar. Hij wilde de gastheer niet in verlegenheid brengen.
In principe was hij nu klaar om te gaan. De taxi was besteld, en om alvast in de stemming te komen liep hij naar de keuken om zich daar te verlustigen aan juichkreten en een wilde, uit Hongarije afkomstige zigeunerdans.
Hij was een heuse dandy, en deze avond was van hem.
De passie van het dansen steeg hem lichtelijk naar het hoofd, en geheel in de sfeer van het gebeuren overgoot hij zich met karnemelkse pap en bood zich op internet aan als slaaf voor het hele gezin.
Een vondst, die alle latere ontdekkingen op het gebied van huishoudelijke taakverdeling in de schaduw zou stellen.
Hij tierde van vreugde, zijn gegil en opgewonden kreetjes van hooggespannen verwachting deden bij de buren echter geen moment de wenkbrauwen fronsen.
Deze brave lieden waren immers van het pragmatische type, en lazen op dit tijdstip over het algemeen de horoscoop. Een goede zaak, ook voor de toekomst.
Zo begeesterd was hij, dat besloten werd om willekeurig lampen aan en uit te doen. Op dat moment werd echter pijnlijk duidelijk dat het over het algemeen geen goed idee is om spaarlampen te vervangen door nachtkaarsen.
Dit stemde hem bijzonder somber, en alleen de gedachte aan nog leukere dingen dan bijvoorbeeld het verzamelen van ongebruikte leermomenten hield hem op de been.
Wellicht een teken dat deze avond desalniettemin alles in zich had om legendarisch te worden was ook het feit dat zijn echtgenote geen zin had om mee te gaan.
Liever vermomde zij zich als met leverpaté gevulde weckfles, om vervolgens tot in de kleine uurtjes in de kelder op een plank te blijven staan.
Daar ging de deurbel. Het zou de taxi wezen. De juichstemming bereikte een nieuw hoogtepunt.
Met een klauwhamer opende hij de voordeur en een blik op de chauffeur was voldoende om zijn vertrouwen in de mensheid volledig te herstellen.
Wonderen bestaan nog, mensen.
De chauffeur bestond uit een collage van diverse mythologische figuren, een knap staaltje vakwerk en een handvol in onbruik geraakte stukjes lego.
Niets wees er op dat zijn bedoelingen nobel waren, maar zoals zo vaak is de eerste indruk niet altijd de juiste.
De Gemetselde Halfgodcompilatie uit Denemarken maakte in het schemerduister een complexe reeks heupbewegingen.
Hij besloot deze te imiteren en tot een vast bestanddeel van zijn repertoire te maken.
Wat een kerel, zeg! Wat hem betrof kon de avond nu al niet meer stuk.
Ook het vehikel waarmee hij vervoerd zou gaan worden mocht sensationeel heten.
Vol verwachting besteeg hij het grootste hobbelpaard dat de mensheid sinds de val van Troje had mogen aanschouwen.
De wilde rit kon beginnen. Het ding braakte vlammen als een stervende zeppelin en ratelde over de straat als ware het wegdek geplaveid met hunebedden. De snelheid was fenomenaal.
De geluidsbarrière werd moeiteloos genomen en al snel begon de atmosferische wrijvingsenergie haar tol te eisen aangaande de materiele integriteit van zowel voertuig als berijders.
Zij gingen in vlammen op als waren zij Engelen der Wrake op een nachtelijke missie. Stof waren zij. En snel vergeten.
Het maakte hem allemaal niets uit, zolang zijn lievelingsfoto van Heino maar bleef waar hij was. In Duitsland.
woensdag 30 mei 2007
21) Een emmer honing (appendix)
zaterdag 28 april 2007
20) De hanen van Asclepius.

De Robot begon aan een lange en eenzame reis naar het noorden van een onherbergzame ijsvlakte, om zich tenslotte aan wat plaatselijke haringeters aan te bieden als vuurtoren.
Zijn muziek een troost en leidraad voor schippers op een ruige zee.
Jaren stond hij daar, onbeweeglijk en triest, totdat de elementen en een onstuitbare klimopwoekering hem uiteindelijk te machtig werden.
De Kapitein stortte zich roekeloos en met de moed van een wanhopige in het ene avontuur na het andere. Niet alleen werden zijn lichaam en geest zwaar op de proef gesteld, ook zijn genitaliën stonden bloot aan enorme slijtage.
Zeeslagen, jungletochten, kroeggevechten, wilde sex en drank, veel drank reduceerden de eens zo fiere zeeheld tot een pratende schaduw.
Blind en tandeloos, meer dood dan levend, vond men hem op de drempel van een oud trappistenklooster.
Toen hij uiteindelijk de geest gaf was het wekenlang donker in de Lichtstad.
Drie exploderende ballen in de stratosfeer. Supernova's en klokgelui.
De Veldwachter leefde nog lang en gelukkig.
19) Purperen zon.

Er viel weinig te lachen in de krater van de Olympus Mons. Veldwachter Huppeldepup huilde tranen met tuiten, en zijn snor hing er bij alsof hij een dode zwaluw tussen neus en lippen geklemd hield. De Robot zong een naargeestig lied uit pre-Azteekse tijden en de Kapitein verving zijn broek door een broek.
Een beetje van de hete brij waarin de Flirt was verdwenen werd in een oude melkfles geschept en bijna ceremonieel om de nek van de Kapitein gehangen, hetgeen hem tweedegraads brandwonden en een paar nieuwe danspasjes opleverde.
Dus werd de Robot drager van het heilige Ding.
Haar lichaam, altijd al een onderwerp van discussie, versmolten met de kern van de rode planeet, permanent oplichtend bij naderend gevaar en liefdesperikelen etcetera
Wie sedertdien ’s avonds langs de krater loopt hoort zilveren belletjes en vrolijk lachen, en kan getuige zijn van naar rozen geurende uitbarstingen en lavastromen eindigend in sterrenstof.
dinsdag 17 april 2007
18) Niet leuk.
Spannende muziek en gegil van om het even wie.
De Tijdelijke Flirt hing geketend boven een meer van kokende lava, en dreigde er langzaam in te verdwijnen.
Langs de kant kon men slechts toekijken in ontzetting.
De Robot was door een buitenaardse macht van zijn krachten ontdaan en hing hulpeloos aan een enorme magneet, de Kapitein was onder invloed van medicatie en de Veldwachter probeerde de orde te handhaven.
“Valentino, jij schoft!” brulde de Robot en balde zijn vuisten in machteloze woede.
De Veldwachter kon nog juist op tijd de Kapitein ervan weerhouden naar de plaats des onheils te lopen. Kostbare seconden werden verspeeld met een zinloze worsteling.
Slechts centimeters hing zij boven het oppervlak, ze was verloren!
Neen, niet dat! Was er dan geen rechtvaardigheid meer?
Oh Vervloeking!
Of was er nog...hoop!?
zondag 15 april 2007
17) Gedane zaken.

Het was een lange nacht geweest. Een nacht die de tropische stad zich nog lang zou heugen. Een aaneenschakeling van grote en kleine momenten.
Katastrofe en intens geluk, toeval, noodlottige ontmoetingen, misdaad en passie.
Zwanger van een naderende sirocco was de ochtendlucht, en van kruitdampen en doodsrochels. Ergens hoog in een paleistoren een schreiende Grootvizier, de straten, voor zover nog herkenbaar, gevuld met tovenaars en goochelaars.
Een razend boeket van vuurwerk leidde de aandacht af en vulde de hemel boven de stad met schoonheid en zwaveldamp.
De Robot rook naar olie, de Flirt naar wierook, de Veldwachter tooide zich trots met een onmiskenbare sexlucht en de Kapitein lag in een badkuip met gouden tientjes.
Drie transparante bollen zweefden aan de horizon. Tarotkaarten en bier.
donderdag 12 april 2007
16) Tableau.

Laokoon en zijn zonen deden het haar niet na.
Geknield, de ogen vanonder zijn punthelm ten hemel gericht zijn sabel presenterend aan een naakt maar verheven afgebeelde vrouw/engel een mannenfiguur.
Hij symboliseerde iets in de trend van vagina's en krijgsgeschut, met name door het feit dat zijn borsthaar zeer gedetailleerd was uitgebeeld en zijn uniform er onberispelijk bij hing. Aan zijn voeten de schedels van verslagen tegenstanders en oorlogsbuit.
Rechts van hem een stram ogende Zeebonk met een gouden hart in zijn familiewapen en een baard van een week aan zijn kin.
Zijn blik verried scherpte en wijdse gedachten terwijl zijn houding een aan het koppige grenzende standvastigheid en gevaar uitstraalde. Hij droeg een blouse met kogelgaten, ruches en franjes en een gloednieuwe broek met laarzen. In zijn brede riem twee pistolen en op zijn gekrulde tong een leugen, verbeeld door een duivel ter grootte van een paasei.
Ter linkerzijde werd de centraal knielende figuur geflankeerd door het grootste beeld van het viertal: een androide zoals men die wel kent uit kinderseries of speelgoedzaken, acht voet hoog en anderhalve meter van schouder tot schouder.
In breedte werd hij slechts overtroffen door de gespreide vleugels van de welhaast zwevende vrouwenfiguur die ogenschijnlijk voordroeg uit eigen werk.
In zijn uitgestoken handen twee nucleaire explosies ter grootte van een pak melk.
Een imposante verschijning die desalniettemin een aangename uitstraling had en dan ook voor een vrolijke noot in de voorstelling zorgde.
Hij leek te zingen.
Een voorstelling overigens die mede door de kleurstelling een nogal sombere uitstraling had.
Ze was vervaardigd uit pure chocolade vermengd met pittige specerijen.
Behalve dan de vrouwenfiguur. Zij bestond uit een zeer dunne laag melkchocolade en een bijzondere vulling van gezoet eierschuim.
Ondanks dit kleine minpunt aangaande de sfeer gold het tableau als een van de grootste artistieke prestaties van de Banketbakkerplaneet. Iets waar de bewoners van de Tandartsnevel slechts meewarig hun haarloze hoofden om konden schudden.
Dit laatse met name omdat het spreken hen door een kaakdiepe verdoving onmogelijk was gemaakt.
Het wortelkanaal deed van zich spreken in tongen.
maandag 19 maart 2007
15)
Dictum sapienti sat est
De tropische stad. Een wirwar van steegjes, marktpleinen en tempels.
Kraampjes van zeildoek en drijfhout, iedere tafel een stamkroeg. Wilde muziek uit duistere, halfopen deuren.
Als een Olympische fakkel, een razende toorts had het grote nieuws de nauwe straatjes en de opgehangen was geschroeid.
De Keizer van Amerika kwam naar de stad met zijn gevolg.
Een grote opwinding maakte zich meester van de straat en ’t beloofde een heel spektakel te worden.
Alle priesters deden ieder gebed dubbel en verbonden er voor de zekerheid een vloek aan, mocht de smeekbede niet verhoord worden.
De plaatselijke Grootvizier had voor de gelegenheid extra ruimte gemaakt in zijn schatkist en alle dames in een straal van honderdvijfentwintig werst trimden hun haar met uiterste nauwgezetheid.
Langs de gehele hoofdstraat werd een tribune gebouwd. Chesterfield en satijnen kussens zover het oog reikte.
Alle voorgevels werden voorzien van vers stucwerk en een fris kleurtje, straten en riolering werden geheel gerenoveerd. De oude afvoer werd bedekt met Perzische tapijten.
Stadsdichters, kunstenaars en muzikanten werden gesommeerd zich onverwijld te melden bij het Paleis, teneinde de Allerhoogste Bezoeker Denkbaar met een gezamenlijke voorstelling het Hoofd op hol te brengen.
Vreten en zuipen als nooit te voren. Voor iedereen. Een boerenbruiloft voor de uitgehongerde massa's. Een bazaar van het bizarre, de kosmos in een notedop.
Temidden van dit alles een viertal lachende derden. In feite twee sets eenlingen.
donderdag 8 maart 2007
14) Het gedicht van de robot
Ik heb er maar een!
ik hou ook van de zon
ik hou erg veel van de zon
het gaat goed
in de ruimte
gaat het goed
ik bedank m elke dag n keer
voor alles
ik geef jou een duw
ik maak jou broek kapot
ik zeg het nog een keer
jij gaf licht
ik ben een doos met rook
en dan wou ik soms een stukje vliegen
deed ik dr lekker lang over en
als ze me dan riepen was ik dr al mooi vandoor
als n ding dat ver weg was en dan
kon ik ze mooi niet horen
dachten ze maar dat was niet zo
ik kon ze wel horen maar ik deed
alsof dat niet zo was en daarom
bleef ik lekker wegvliegen
extra hard poeziealbum
vrijdag 23 februari 2007
13) Vacuüm, mijn kind!
Dansende wereldleiders zover het oog reikte...
Het kleurloze licht dat het universum dooraderde vulde ook de ruimte in het hoofd van de Robot. Met een nauwelijks door natuurwetten gebonden snelheid spleet hij tijd en ruimte, volgde de kromming van onzichtbare velden, en wist door behendig gebruik te maken van graviteit en zonnewind een afstand te overbruggen die in menselijke maatstaven uitgedrukt slechts verbijstering en direct contact met het absurde teweegbracht.
Een reis als een diavoorstelling van panoramische gedichten, een lied in woord en daad.
Protuberansen en asteroïdenvelden ontwijkend, scherend langs meteoren en dode planeten, gedragen door een wolk van elektronen op het snijvlak van vier dimensies driftend was het de zoektocht naar een vredige vallei, een nieuw begin, dat hen dieper en dieper het eindeloze zwart in zoog.
Weg van alle kleinburgerlijke wanen die hen gekluisterd hadden gehouden aan een vegeterend bestaan, de vleugels uitslaan! op een epische tocht waarvan de Kapitein mogelijk al een glimp had opgevangen. De kosmos zou bloeien.
De Flirt, bijna ongevoelig voor zwaartekracht aangezien zij voornamelijk uit licht en suggestie bestond, maakte het zich gemakkelijk aan de bar en keek hoe de Kapitein symbolisch aan het houten stuur draaide en als een bezetene half verstaanbare kreten in een koperen pijp stond te brullen.
Hij was geil, en iedereen mocht het weten...
De Veldwachter was in de haast op zijn helm gaan zitten en deed zo zijn eigen duit in de zak die kakofonie mocht heten.
De Robot kende de weg.
In de Ruimte hoorde niemand hem zingen, maar wie goed keek zag Orion welwillend knikken.
De Grote Beer niet. Die vond het maar herrie.
woensdag 21 februari 2007
12) So schmeckt Berlin.

Bloemen van plastic op een polaroidfoto, een kunstgebit in een tupperware-beker en een manga-held thuis op de bank.
Bij het aanschouwen van de schoonheid die totale verwoesting met zich mee kan brengen werd de Robot overmand door de noodzaak er eens flink vandoor te gaan. De ontroering zou hem te machtig kunnen worden, en bovendien was er niemand om hem in zo’n situatie te troosten.
En een ongetrooste Robot is nou niet bepaald een allemansvriend.
Tegen de achtergrond echter van het pandemonium, Genesis 19 en meer, ontketend door de wilskracht van een oude zeeschuimer, ontwaarde hij de gestalte van de Veldwachter. Bij verder inzoomen bleek hij op zijn schouder de bron van zowel vreugde als verdriet, beiden in magnitude niet te onderschatten, met zich mee te dragen. Zij, wier schoonheid al duizenden tot goddeloze verrukking had gedreven, en vervolgens in een peilloze diepte van niet te stillen honger naar meer had gestort. Hij wilde haar digitaliseren.
De Tijdelijke Flirt had hem herkend, en wuifde allercharmantst. Of de Robot hen niet even mee kon nemen.
O ja, en de Kapitein zit daar ergens, gebaarde ze met een fluwelen hand, een glimlach als een vakantie in Griekenland deed de rest.
De Metalen Mensmachine opende zich, liet een ladder neer, en het drietal nestelde zich in een aantal comfortabele fauteuils op het hoofddek ergens in zijn voorhoofd. Het centrale beeldscherm toonde een ontsnappingsroute, en de status van de warpspoel. Het zag er mooi uit.
De Kapitein had zich voor de gelegenheid van een fraai kostuum met emblemen voorzien en sprak tegen de computer. Snel een longdrink van het een of ander en dan als de bliksem weg hier, voordat de buren kwamen klagen.
De Tijdelijke Flirt had een naam, en de Robot had er een lied van gemaakt. Dat kon prima want het was een hele lange naam. Ook was ze naakt, maar door een handig spel van licht en schaduw was er niemand die het zag.
De Veldwachter verontschuldigde zich uitgebreid bij de Kapitein voor alle onverkwikkelijkheden, en ze schudden elkaar de hand als broeders. Wel ging er bij het loslaten iets mis waardoor de Veldwachter wat pezen in zijn bovenarm verrekte. Gaf niks, even goede vrienden.
Het opstijgen van de Robot was indrukwekkend als altijd, en had al vele schrijvers van fictieve toekomstromans van inspiratie voorzien.
Zijn laarzen braakten rook en vlammen, zijn gloeiende vuisten de pikzwarte hemel tegemoet stuwend. De mensheid had er een toekomst bij.
donderdag 15 februari 2007
11) De toverfluit.
Daar zal uw kind blij mee zijn!
Het ochtendgloren maakte een eind aan de tunnel van Heintje Pik. Lauw en oranje schampte de horizon langs een kegel van licht.
Silhouetten kwamen krakend in beweging. Een ijl en richtingloos lied waaide over de waterige heuvels. Mos en doedelzakken.
Zijn glanzende huid diffuus belicht en dauw omfloerst. Het gonzen van drie gyroscopen als het intro van een requiem.
Zich verheffend boven een dal van zuchtende minnaars overpeinsde hij de blues.
Een musical voor hoeren en verloren zonen. Hij zong uit volle borst. Schalmeien en wat dies meer zij.
Een Fruehlingserwachen.
Bambi draaide zich nog een keer om en keek de jager aan.
Op het bospad een veldwachter, op zijn schouder een exotische bloem, een wolk van glitter en vrolijk klateren. Haar lach als balsem voor de kwetsuren van duizend jaar wanhoop.
Verderop in het dorp een nucleaire catastrofe. De Kapitein omhelsde zijn herwonnen vrijheid. Tot tweemaal toe.
In de verte drie ballen.
woensdag 7 februari 2007
10) Franz!

Ik vergeet alles.
Een fraai gemodelleerde snor, fors en mannelijk, met krullen als ramshoorns. Een wilskrachtige kin en een blik als een adelaar. Met schouders breed en sterk, een ode aan Hercules zijn borstkas.
De armen musculeus en soepel, terwijl zijn handen toch een zekere fijnbesnaardheid toonden en getuigden van een hoogontwikkelde fijne motoriek.
Het lichaam van een Griekse god. Seksualiteit zonder een vulgair moment.
Een klassiek dooraderde penis, stevig maar niet te groot, en benen als tempelzuilen maakten van hem een begeerlijke man op leeftijd.
Het meeste werd aan het oog onttrokken door een glimmend gepoetste helm met een gepolijste bronzen punt en een embleem samengesteld uit aansprekende heraldieke symbolen, en een goed gemodelleerde uniformjas die een doorsnee operettegeneraal handenwringend en tandenknarsend naar de coulissen zou kunnen verwijzen. Knopen als rijksdaalders en epauletten als van een Roemeense groothertog.
Hij droeg zijn kostuum echter met zoveel waardigheid dat eenieder die hem zag bevangen werd door zowel ontzag als bewondering.
Als teken van zijn autoriteit droeg hij een sabel, glimmend en zacht rinkelend bij elke stap. Nimmer gebruikt, maar niemand twijfelde aan de onberispelijke staat van de kling.
Zijn laarzen leken als vanzelf te lopen, en waar hij zijn voetafdruk achterliet bleef de grond nog tien minuten nadampen.
Voor hem op tafel lag een blanco vel papier. Ernaast een vulpen. Een Pelikan T111 (Toledo).
Op eerbiedige afstand van zijn linkerhand stond een vrouwtje. Niet groter dan een wijnglas, maar sierlijk en rank als een zeldzame bloem die onverwacht ’s winters bloeit en de meest dorre tuin weet te verlichten op zelfs de donkerste der dagen. Ze leek welhaast doorschijnend, en de veldwachter was dan ook zichtbaar aangeslagen door dit onverwacht imponerende wezen, dat in heel haar breekbare schoonheid zijn mannelijkheid tot jongensachtige bravoure leek te willen reduceren. Hij hield zich groot, maar de man die ware schoonheid heeft gezien zonder een traan te laten moet nog geboren worden.
Ze keek hem aan met grote bruine ogen. Haar gelaat een medaillon van symmetrie en weemoed. Zo menig hart was al gebroken op dit aambeeld van onbereikbaarheid.
Haar stem een concert als van een zilveren carillon op een eerste lentedag, alsook haar flukse bewegingen die steevast afgerond leken te worden met een wolkje sterrenstof.
Verlamd en hulpeloos bleven de meesten die haar ooit in levende lijve hadden mogen aanschouwen de rest van hun aardse bestaan tevergeefs op zoek naar verlossing. Niet zelden vonden zij deze uiteindelijk toch op de rotsen van een verre vreemde kust, in de armen van een bizarre proto-religie of tijdens een bloedige tweekamp met het zevenkoppig beest.
Ook wist zij met haar vagina bij sommigen een dichterlijk talent aan te spreken, zij het met wisselend succes voor zowel muze als poëet.
Veldwachter Pompiedom schraapte zijn keel met een geluid als van een draaiende molensteen. Hij vatte moed, verloor dan toch weer de strijd, om uiteindelijk na een handvol pogingen, de ogen nat en de handen klam, bijna fluisterend het woord te nemen.
Voorzichtig informeerde hij naar de aard van haar klacht. Het bleek te gaan om geluidsoverlast.
In het cachot opende zich een nieuwe afgrond. Een ijselijke kreet, geslaakt in uiterst primitieve woede raasde door de Boomgaard der Goden. Het Beest rukte aan zijn ketenen. Langzaam ontglipte de bal aan Atlas’ greep.
maandag 15 januari 2007
9) De genezende kracht van oud ijzer...

Deze regels zijn alle geschreven indachtig de erfenis van Tata Mirando.
Als een toverbal in een op hol geslagen flipperkast ging de Kapitein ten onder. Flitsender dan Strobo Man, de superheld met de ongelooflijke vaardigheid heel snel aan en uit te kunnen, en larger than life ratelend zoals alleen een boerenkar op de kasseien van een Belgische universiteitsstad dat kan verliet hij het ene level na het andere, chaos en paniek achterlatend bij de bewoners. Overal in zijn cranium gistte het van radeloosheid en revolte, opstand en de aanzuigende werking van wanhoop. Overal, behalve in die gebieden die onder invloed stonden van Charcot-Wilbrands’ gesternte. Daar bleef het heerlijk rustig, en de plaatselijke courant maakte dan ook werkelijk nergens melding van. Om dit heuglijke feit te vieren verscheen zij blanco.
Verschillende lagen van zijn psyche werden afgepeld als waren het vellen oud behang en dat de onderste laag de kalk mee trok leek de Grote Stukadoor niet uit te maken. Integendeel!
Alle innerlijke blokkades werden afgebroken en de Kapitein werd deelgenoot van een Spirituele Kring van Licht, hij voelde zich bevrijd van alle stille angsten die hem al die jaren hadden weerhouden van dat wat hij eigenlijk wilde doen in zijn leven. Tot hem kwamen de zalvende woorden van de Moeder Godin, en heel zijn astrale lichaam leek gereinigd door haar paarlemoeren Glans en de kleur van haar kristalijne Goedheid, die zo sterk aanwezig was dat zij leek te materialiseren in een zuivere vorm die voor de gewone mens slechts kenbaar is in de vorm van bepaalde gesteenten. Hij leerde met de helende krachten van de lichtMeesters, het Christus- en Boeddha-bewustzijnsveld te werken, met de krachten van Alcyone, het bewustzijn van de zon, met EHL, kosmische en aardedraken, met galactische Stralen, enz. om d.m.v. kristallen krachtwielen een hele stad, dorp of streek niet alleen te zuiveren, maar aan te sluiten op het Nieuwetijds-Lichtnetwerk rondom de aarde. De Kapitein opende gelouterd zijn ogen.
Staande op een heuveltop, neerkijkend op een paradijselijk panorama. De leeuw en het lam lagen zij aan zij, en eenieder ging er zonder schaamte. Het zaakje beviel hem voor geen meter.
De Metalen Grootvorst van het Onderdelenhuis stond aan de oevers van een oude kust te genieten van een zonsondergang die zijn weerga niet kende. Een bijna hallucinante kleurenpracht en het feit dat hij aan de oplader lag hielden hem gevangen in een schijnbaar eindeloos moment van geluk zoals alleen een machine dat kan beleven.
De volgelingen hadden hun buikje inmiddels vol en brachten een antroposofische hymne ten gehore die zo lelijk was dat ze er zelf al na een seconde of wat de balen van hadden. Alleen de Illuminati tierden nog wat langer door, maar die hielden dat gelukkig onder de pet.
zondag 7 januari 2007
8) Lecturamus

...want echte couranten zijn van karton, mensen...
Wij hebben de Robot zien dansen met de Goden, wij hoorden hem zingen als een Engel, zijn talenten ten volle tentoonspreidend op zo menige gelegenheid, zij het een fancy fair in Hardegarijp dan wel een Autosalon in Detroit.
Wij zagen hem figureren in Japanse animatiefilms en als hoofdrolspeler de sterren van de hemel acteren in de meest uiteenlopende, maar zonder uitzondering zeer hoogstaande en diep ontroerende film-, en theaterproducties. Alles tussen Shakespeare en soft porno, want ja, ook een robot gaat voor geld uit de kleren.
Een van zijn bekendste rollen speelde hij als “Swamp thing” in de seizoenen 1971-1974.
Als chef-kok is hij gezien, staatsbanketten bereidend voor de groten der Aarde all over the world. En niet zonder reden. Zijn hazelnootgebak wordt wel vergeleken met godenspijs en daar moet dan ook flink voor in de buidel worden getast.
Ook de heden ten dage alomtegenwoordige honingmosterdsaus is een product van zijn rijke verbeelding.
In de jaren twintig maakte hij furore als couturier in New York en Parijs, creaties scheppend die, mede door het voor die tijd vernieuwend gebruik van weefsels en kleuren, tot de dag van vandaag actueel gebleven zijn en het wezen en gezicht van de mode-industrie dan ook decennia lang hebben bepaald. Ook introduceerde hij het heden ten dage onvermijdelijke catwalk-loopje, dat slechts door enkele topmodellen beheerst wordt en de overigen bijna dagelijks tot tranen drijft.
Als schilder/beeldhouwer wordt hij al geroemd in de wereldvermaarde Catalogus Neumannum Omniomundis, waarvan de eerste druk in 1678 bij Plantijn te Antwerpen ter perse ging. Ook was hij in die jaren bevriend met grote denkers en staatslieden als Antoine Fiston ( L’ail de raison, Lourdes 1689), Hermann Walraff Dubonnet (Analogie der Moralischen Mathematik, Danzig 1657) en Tsaar Peter de Grote, wiens visioen over het op industriële schaal conserveren van exotisch fruit pas eind negentiende eeuw werkelijkheid werd, zij het onder grote druk van internationale consumentenorganisaties.
Een schilderij van de Robot leverde onlangs nog bij Sotheby’s te London een onbekend gebleven recordbedrag op, en regelmatig duikt er werk op dat aan hem wordt toegeschreven.
Wereldfaam kent ook zijn keramiek. Met name in de periode
1540-1560 leverde hij zijn fraaiste porselein. De Meissener Porzelan-sculptuurtjes zijn zonder twijfel (sic) op dit vroegere werk geïnspireerd, zij het dan uiteraard minder radicaal doorontwikkeld en niet met de fijnbesnaarde hand van een echt groot Kunstenaar als die van hem, daarentegen in massaproductie gerealiseerd en dientengevolge, geheel terecht overigens, bijdragend aan zijn persoonlijke mythe.
In de wereldliteratuur duikt met grote regelmaat zijn naam op, ook al wordt hij door de vele verschillende culturen vaak anders benoemd.
In de Griekse mythologie speelde hij een fraaie dubbelrol. Meestal wordt hij in een adem genoemd met verlossingsprofetieën of het naderen van de wereldcatastrofe, maar ook primitievere culturen maken melding van zijn verschijnen. De indianen van noordelijk Californie maken al eeuwen melding van een groot Ding dat door het bos rent, en de bewoners van Tibet geven een signalement van een wezen dat als twee druppels water hierop lijkt, maar dan achtduizend kilometer verderop. Toeval?
Ook aangaande de uitleg van bepaalde heilige geschriften blijft zijn aanwezigheid niet onbesproken. Zo lijkt het er alle schijn van te hebben dat hij nauw betrokken was bij de bijbelse zondvloed, maar men weet nog niet exact wat zijn rol hierin zou kunnen zijn geweest.
Ook schijnt de ster van Bethlehem van zijn hand te zijn, hoewel wetenschappers en theologen hierover al enige tijd fel met elkaar in debat zijn en het er niet op lijkt dat men het snel eens zal worden. Verscheidene profeten beroepen zich op zijn verschijnen, en zo menigeen maakt ook ondubbelzinnig melding van gesprekken met de Robot (o.a. Nostradamus “'s Nachts zullen ze denken dat ze de zon hebben gezien,Als zij de varkensachtige half mens waarnemen, Lawaai, geschreeuw, veldslagen gezien in de hemelen: Brute beesten zullen sprekende worden waargenomen. “).
Grottekeningen en in krijt gekerfde figuren maken duidelijk dat reeds ver voor de uitvinding van het schrift de Robot reeds een blijvende indruk op de mensen in zijn omgeving moet hebben gemaakt. Voorbeelden hiervan zijn te vinden in Derbyshire (Gr. Brittannie) en Lascaux (Frankrijk).
Recent onderzoek heeft aangetoond dat de piramides van Gizeh niet zonder zijn interventie hadden kunnen worden gebouwd, en zo frappant waren de uitkomsten van het onderzoek dat men nu ook andere historische projecten nauwkeuriger onder de loep gaat nemen. Te denken valt hierbij aan Stonehenge, de Borobudur, Tenochtitlan en de Kanaaltunnel. Stuk voor stuk mysterieuze bouwwerken waarvan men de eigenlijke herkomst maar niet lijkt te kunnen achterhalen. Zonder twijfel heeft onze Metalen Vriend, die weldoener voor de gehele mensheid, hier een sturende, zo niet bepalende hand in gehad.
Vele grote werken en gebeurtenissen in de geschiedenis lijken te zijn verbonden met de lotgevallen van deze Stalen Icoon. Ofschoon men zich pas sinds kort van deze zaken bewust is geworden hebben wij hem in onze dagen reeds vele wondere zaken zien verrichten. Of het nu gaat om het voorkomen van natuurrampen, dan wel het behalen van het wereldrecord poffertjes bakken op de braderie van Zevenhuizen, alles wat hij aanraakt lijkt te veranderen in iets dat het best kan worden omschreven als “magisch”.
Nimmer heeft de Robot de zegen van boven afgesmeekt.
woensdag 3 januari 2007
7) Saippuakivikauppias.

Dat de Krachten van het Eeuwige en Eindeloze U nooit mogen verlaten, en Uw blik op de Zee die Wereld heet helder blijft, Uw wil ongebroken, Uw hart zuiver en Uw ondergoed en sokken droog en proper.
Een jungle was het. Een scharrelen en krioelen van levensvormen in een rijkdom en diversiteit aan soorten zoals men nergens anders aantrof, behalve wellicht in de kelder thuis, onder een afbladderend stuk vochtig behang. En dan nog zou men er een microscoop bij moeten gebruiken. Planten van een andere wereld, varens als krullende flatgebouwen, bomen hoger en wilder dan windmolens, een temperatuur en vochtigheid als in de sauna van Beëlzebub. Muskieten zo groot als een mannenhand en ergens in de verte trommels.
De Kapitein had er een hele dobber aan. Zijn mondvoorraad, bestaande uit een handvol gedroogde apenoren en een paar flesjes fanta, was genoeg voor een, hooguit twee dagen, waarna hij zich zou moeten wagen aan de vruchten van het woud. Een hachelijke onderneming, aangezien de noodzakelijke kennis over wat wel dan wel niet eetbaar was hem ten enenmale ontbrak.
In situaties als deze was goede raad duur, en het enige alternatief was dat hij er nog eens stevig de pas in zette onderwijl hopende op een wonder…
Op de hielen gezeten door een woedende menigte dorpsbewoners, blauwe mannetjes en een met twaalf armen wervelend ding van brons had hij zijn heil gezocht in het bijkans ondoordringbare regenwoud dat langs de oevers van de rivier wortel had geschoten, precies op het ogenblik dat de nood het hoogst was. De achtervolgers bleven op eerbiedige afstand van de bosrand en dit had voor de Kapitein al een veeg teken mogen zijn. Er werd nog wat geroepen en gescholden, maar na een tweetal dagmarsen begon hij te vermoeden dat wat het ook was dat het rapaille met hem van plan was geweest, dit wellicht te prefereren zou blijken boven de duistere verrassingen van het schier eindeloze woud, met zijn enge beestjes en graaiende lianen.
Twee keer al had hij zijn voet net op tijd uit een vleesetende plant teruggetrokken, en het gevecht met de reuzenslang was nou ook niet echt een ervaring die men dagelijks zou willen herbeleven, al was het traumatische effect ervan bijna een garantie voor levenslang door angstkreten en zwetend wakker worden verstoorde nachtrust. ’s Nachts werd hij aangestaard door rode ogen in de bosjes, en overdag zag hij bij voortduring iets vanuit zijn ooghoeken bewegen, transparant en geruisloos.
Water vinden was niet moeilijk, maar de wriemelende dingen die hem van onder het wateroppervlak verbaasd aankeken blusten ieder verlangen er eens even de lippen aan te zetten.
Door de uitdroging begon hij te hallucineren en het was al voorgekomen dat hij mensen zag lopen, waar hij dan roepend en struikelend achteraan ging. Op het moment dat hij ze bereikte en probeerde hun aandacht te trekken met een schouderklop gingen ze in rook op, om dertig meter verderop weer op te duiken. De vloek van Sisyphus. Steeds verder dwaalde hij de struiken in.
Wegwensen hielp hier niet, en zijn uitrusting was dusdanig mager dat zijn overlevingskansen slonken met iedere stap die hij zette. De fanta hield hem ternauwernood op de been. Zijn knieën knikten, en al snel werd lopen wankelen, en wankelen kruipen. Het was een vertoning waar zijn moeder niet trots op zou zijn geweest, dacht hij nog. Zo ongeschoren door het bos te kruipen was hem altijd voorgehouden als angstbeeld, telkens hij als kleine jongen iets had gedaan dat niet mocht.
Onvermijdelijk zou het moment komen dat zijn stofwisseling de constante druk van hitte, honger en uitdroging niet langer aankon en hij buiten bewustzijn zou raken.
Zonder twijfel zaten ze in de struikjes op dat moment te wachten, de eibofoben. Om ze op een afstand te houden stootte hij met zijn laatste krachten nog een “Nepmop: net alsof u net sufte? O, massa moet fusten ufo's laten pompen!” uit, alvorens in een duistere tunnel weg te glijden. Het laatste dat hij dacht was iets plezierigs over zijn nieuwe broek.
maandag 1 januari 2007
6) Engelen en cyclopen.

Onveranderlijk dynamisch. Zo omschreef de diva haar garderobe.
De hemel had de kleur van chuba chups en een onbarmhartige, oudtestamentische slagregen veranderde het landschap in een schier eindeloze zee van kniehoog schuimende modder. De eens zo ronde vijver was buiten haar oevers getreden en de nieuw ontstane omtrek deed denken aan een langzaam uitlopende Rohrschach-test. De drie sacerdotes leviteerden een halve meter boven het wateroppervlak. Bolvormige krachtvelden hielden hen droog. De rituelen waren gestaakt, zwijgen was genoeg.
Gelijktijdig openden zij de ogen. Een rimpeling over het energetisch membraan, en dan abrupte acceleratie. Zonder overgang op topsnelheid. Een drietal strepen naar de horizon. Weg van dit godverlaten oord.
dinsdag 26 december 2006
5) Obersalzberg.

“Das darf doch nicht wahr sein” moet hij gedacht hebben. De hele schuur stond vol, en wat ze daar niet kwijt konden werd gewoon buiten neergezet.
Teder en pijnlijk zelfbewust koesterde hij de verlaten bloempot. Een kort briefje had hem in zeer heldere bewoordingen duidelijk gemaakt dat zijn voettocht voor niets was geweest. Een zinloze onderneming van begin tot eind. Een bittere pil. Gelukkig was hij goed bij machte de omvang van het menselijke drama in het juiste perspectief te zien, te relativeren en op waarde te schatten als leermoment.
Tijd om de volgelingen van borstvoeding te voorzien.
Ondertussen deed zich in het cachot van Veldwachter Pompiedom een situatie voor die tot op de dag van vandaag voor schrijnende taferelen zorgt, telkens men in de kelder van Slot Loevestein het licht aandoet.
Terwijl de hermandad een klein tukje deed op het beklaagdenbankje, nam het onderbewustzijn van de Kapitein de gedaante aan van een melkwegstelsel.
De Andromedanevel.
Beroemd om zijn vele culturen en rijk aan exotische levensvormen, was het dankbaar om er de spirituele tourist een excursie op maat aan te bieden.
Met onmetelijke snelheid zichzelf doorkruisend, verbijsterd door het pulseren der Cepheiden, zich oriënterend op de radiobron van M31, besloot de Kapitein te landen op een planeet genaamd Adolph, vermaard om zijn fraaie vergezichten. Een mooi stukje vakwerk.
Hij parkeerde zijn voertuig, een creatie van Borek Sipek welke nog het meest deed denken aan een paasei, aan de rand van een uitgestrekt en sfeervol subtropisch woud van wisselende samenstelling: op de lagere hellingen groeide een fraai gemengd bos van beuk, zilverspar en fijnspar, met enkele esdoorns, essen en op plaatsen met stagnerend grondwater elzen. Op grotere hoogte nam het aandeel van de beuk af en dat van de fijnspar toe. Op de hoogste hellingen groeide een vrijwel puur fijnsparrenbos. Hij vond het een mooi bos…
Wat het bos er zelf van vond is niet bekend, aangezien de gehele vegetatie met de rug naar hem toe stond en dientengevolge volledig onwetend was van zijn arriveren.
De vogels waren ook van hout en woonden in megalomane uurwerken. Omdat dit uiteraard ten koste ging van de vrolijke bosgeluiden zoals hij die thuis gewend was, besloot hij er zelf maar eens stevig op los te fluiten. En als de Kapitein gaat fluiten, dan gaat hij ook fluiten.
Tonen in luidheid en hoogte variërend van aangenaam zacht en laag tot hysterisch luid tierend en krijsend hoog deden bij de boswachter, een tienarmige veganist met een exoskelet en drie ogen, de waterlanders rijkelijk stromen. Dit ondanks het feit dat deze Vriend van het Woud op een respectabele afstand van honderd werst woonde en al jaren aan drie kanten doof was.
Hij besloot een kijkje te komen nemen. Een streven dat op zich hulde verdiende, maar in de praktijk op aanzienlijke bezwaren stuitte, aangezien hij deel uitmaakte van een symbiotisch verbond met een honderdtal kleine blauwe mannetjes, die geenszins van plan waren hun voornaamste voedselbron (zij leefden wederzijds van elkaars fecaliën) zo’n eind alleen op pad te laten gaan. Er werd een dorpsraad belegd en nadat men uitbundig een aanzienlijke hoeveelheid excrementen bij elkaar in de krop had achtergelaten kon er uiteraard van een normaal kringgesprek geen sprake meer zijn.
De Kapitein, onkundig gebleven van dit alles, besloot op zijn beurt eens een kijkje te gaan nemen bij wat wel een van de grootste attracties van de Andromedanevel genoemd wordt: een rivier van kristalhelder pils, op twee dagen loopafstand in de werkelijke wereld, doch aangezien het hier een hallucinoide droom betrof was hij er al op het moment dat hij er aan dacht.
Dat schoot tenminste aardig op en het scheelde ik weet niet hoeveel zeurverhalen achteraf. Man, wat had hij een dorst. De Kapitein trakteerde zichzelf uitgebreid op een pulletje gerstenat, en besloot zijn tent op te slaan. Dit ging zo mogelijk nog sneller dan de voettocht van twee dagen. Ook besloot de Kapitein dat het hebben van een lange baard meer in de sfeer van de omgeving paste. En hup. Daar was de baard, met pijp en al. Een vrolijk hoedje en een korte broek maakten het geheel compleet.
“Nu nog wat lekkere wijven!” had een voorganger in de vooruitstekende rotswand gekerfd.
Inderdaad werd het na verloop van tijd een beetje eenzaam. Bier uit de rivier, worst die men zo van de boom kon trekken, een nieuwe broek, opeens bleek hij ook uitstekend te kunnen jodelen. Allemaal leuk en aardig, maar lekkere wijven waren minder makkelijk bij elkaar te wensen dan lelijke kerels.
Die er trouwens ook niet waren. Waar het wel van wemelde waren kleine blauwe mannetjes die voortdurend steelse blikken op zijn achterste wierpen.
De zon ging onder, de zon kwam op.
Na een stevig ontbijt van bier en worst wankelde de Kapitein naar een nabijgelegen nederzetting om het in de plaatselijke bar aan te leggen met creaturen die men gewoonlijk niet in zulke etablissementen aantreft. Een afschuwelijke slachtpartij was het gevolg. Daar de Kapitein bij dit in gewelddadigheid onovertroffen handgemeen zijn duim bezeerde, mag het geen wonder heten dat hij het wonderschoon uitjodelde van ongenoegen. Wederom werd er een dorpsraad belegd bij de boswachter.
4) Der Spaziergang.

Zoveel wist hij er wel van, dat als
hij het rode knopje zou indrukken,
er waarschijnlijk iemand zou komen
om hem te vertellen dat…
In het onderbewuste van de Kapitein tintelde en fonkelde het. Regenbogen en sterrestof. De associaties waren wilder dan een lied van Lenny Kuhr, en bruter dan Barbapappa. Ondanks zijn lethargische toestand was een deel van zijn brein bezig zich een weg naar het daglicht te bevechten door middel van technieken als osmose, peristaltiek en transpiratie. Het netto resultaat hiervan was dat na drie dagen de atmosfeer in het kleine hok zo veranderd was dat het aan diverse buitenaardse levensvormen de gelegenheid bood vrijelijk te ademen.
Hij liep over een vlakte. Een ruige vlakte, met nergens een boom. Een zilvergrijze hemel met ergens boven zijn hoofd, aan de rand van zijn blikveld, wat beweging. In de wolken herkende hij het portret van een volkszanger. Hij voelde zich een kleine jongen…
De Robot had de pas er goed in, en dat beviel hem uitstekend. Opschieten, daar hield hij wel van. Niet van dat benauwde. Onzekerheid, twijfels. Details zijn voor kleine geesten, zo hield hij zichzelf voor, en dus was het van het uiterste belang dat hij de benenwagen met enig enthousiasme over ’s Heeren wegen liet roffelen. Ach, dat heerlijke geluid van staal op asfalt. Uren kon hij er naar luisteren, of erover fantaseren. Wandelen was inderdaad zijn lust en zijn leven, en niets of niemand kon hem er van weerhouden er eens een flink stuk op los te stappen…En stond er dan eens wat in de weg? Huppekee, een flinke loei met de rechterpoot en de baan was weer vrij. Wat nou files!? Gewoon een beetje harder werken en die autootjes gaan vanzelf aan de kant.
Schreeuwende mensen? Had hij een broertje dood aan.
Gewoon negeren, die stumpers. “Wat sta je nou te brullen, knul!?” had hij vroeger uit beleefdheid nog wel eens geroepen, maar man, je kunt wel aan de gang blijven met dat klootjesvolk. Om de haverkamp staan ze dr weer. Blablabla. Dan weer dit, dan weer dat…Een plein vol…En vriendelijk blijven hielp niet meer. Kostte hem vroeger geen enkele moeite, maar op is op. Verspilling van tijd en moeite. Gewoon even de transformer doen, een paar fotontorpedo’s in een woonwijk jassen en ze hebben wel wat anders aan hun hoofd. Ze zien toch dat er gewandeld moet worden, teringlijers…Minne gasten vond i ze…Hij zou er ooit eens een gedicht aan wijden. Gewoon, om ze manieren te leren of iets dergelijks.
Het werd dus tijd voor een wandellied. Maar wat zou er toch passen bij deze fraaie gelegenheid. Hij keek om zich heen. Het weer was werkelijk schitterend, de koperen ploert hing hoog aan de hemel, ongehinderd door enig wolkendek, boerenzwaluwen, overal bloemen, een licht briesje, zich eindeloos uitstrekkend laagland, brede rivieren, alles leek gereed voor een euforisch stukje wandelen met gezang. Een pelgrimage. Een ode aan Jac P. Thijsse, de Grote Ontdekkingsreizigers, Albert Speer, Neil Armstrong, Asimov…
Een of ander fraai en motiverend stukje van Slayer, dat leek hem wel wat…En hoe toepasselijk, want had hij niet zojuist besloten bij de Tijdelijke Flirt op theevisite te gaan ?…Met dit extra hart onder de riem, en aangejaagd door een prima lied moest het toch lukken om voor de middag haar omgekeerde bloempot te bereiken…
Hij wandelde en zong dat het een lieve lust was, op de maat stampend en de weg vrij trappend van allerhande zaken die eventueel een belemmering van zijn zo prangende vooruitgang konden betekenen.
Het regende brokstukken, stoepranden, fietsen, schreeuwers, autootjes, levende have, graspollen, dakkapellen, voorgevels, terwijl er achter hem een steeds sneller aanzwellende schare bewonderaars zich een uiterste moeite getroostte het ijltempo van de Metalen Loopmachine bij te houden…Op uitvallers en achterblijvers werd niet gewacht.
Man, wat zong hij prachtig. Dan weer met een timbre als Willy Alberti, gevoelig en toch overtuigend, dan weer wild en sexy als Bon Scott…Ondertussen het landschap aan flarden rijtend met zijn werkelijk zeer fraai gemodelleerde stalen raketlaarzen. Als een sneeuwschuiver gierde hij door aardlagen van zeven voet, rivieren traden buiten hun oevers door het mechanische geweld, hele bossen ontworteld, de Veluwe gehuld in stofwolken, als een goddelijke kloofbijl spleet hij polders en heuvelruggen zonder ook maar een seconde te vertragen…
Voor hem de idylle. Een landschap, ongerept en vredig. Hier en daar een dorpje, een paard en wagen, men nam de pet af voor mijnheer de dokter in zijn auto, en op het plein een grote kastanjeboom met een bankje. Boerenzwaluwen…
Achter hem het inferno. De horizon stond over de volle breedte in brand. Donkere wolken en laaiende vlammen zetten het landschap in een spookachtig licht- en schaduwspel. Puinhopen en karkassen van loodsen en voertuigen. Het weeklagen van oude moedertjes, doodsrochels en dramatische gebaren.
Men smeekte de zegen van boven af. Zelfs Peyzel. Een complete verloedering van de zeden was het meest in het oog springende gevolg. En sjanker.
Een niet aflatend gerommel deed kond van een exploderend ding in de verte, de lucht zelf stond in brand. Flitsen en geratel. Maankraters en brandende zwavel. Kannibalen en enge ziektes in de eenentwintigste eeuw? Laat ze cake eten!
In een poging de verwoesting een halt toe te roepen had men het leger ingezet, met voorspelbaar resultaat…Moedig hadden ze gestreden, en gesneuveld waren zij met tientallen, honderdtallen. Aan flarden! De brekebeentjes, geen schijn van kans tegen de Mensgeworden Machine. Je reinste zelfmoord. Zingend en dansend sabelde hij de krijgsmacht van de kaart. Als poppen vlogen ze door de lucht. Velen naakt. Schanulleke…Geen projectiel leek vat op hem te hebben, en dankzij wat holografische projecties sloegen de meesten al bij voorbaat op de vlucht, alleen om elkaar in blinde paniek te vertrappen. De overlevenden verdronken zoals gewoonlijk bij het oversteken van een boerensloot.
Wat raketjes links en rechts, een paar likkende vlammen zo lang als de Noordzee breed is, en ajuu paraplu…Een bloedbad, een vloedgolf van verwoesting en verminking. Een dansend knekelhuis. Geen steen bleef op de andere en waar ooit de kikkertjes speelden in een groene oase was nu alles bedekt met schuim en asch. Een zwarte storm trok over het land en een lange duisternis leek in te treden.
Een sprankje hoop bracht nog de luchtmacht, die met de laatste snufjes op het gebied van nucleaire technologie een gordijn van hellevuur wist op te trekken, een tabernakel des doods. Op foto’s later het gezicht van de Satan. Slechts wat geblakerde schedels…
Als trage motten veegde hij de gevleugelde helden uit het zwerk. Niets leek simpeler dan dat. Honderd, nee duizend valschermen, als witte anjers in het knoopsgat van Anthony Fokker.
Uit de vlammenzee die tot aan de stratosfeer leek te reiken, mythisch,
de Vuist van God, wandelde een wrekende Priapist.
In hem de eenzaamheid, want inmiddels in gedachten verzonken. Hij was bijna op de plaats van bestemming dus het leek hem beter eens even een beetje kalm aan te doen. Bovendien had hij geen bloemen bij zich en zijn volgelingen hadden honger.
3) Een wonderbaarlijk visioen.
…een wonderbaarlijk visioen, maar net op tijd
aangezien voor een herhaling van zichzelf,
met catastrofale gevolgen overigens voor
de rest van het verhaal…
Op drie meter hoogte het eerste daglicht, afkomstig van een klein binnenplaatsje. Een piepklein raampje met een enkele traliestang en gebroken glas. Een duivenkoppel had zich in de luwte een bedrekt maar comfortabel nest ingericht en koerde in milde vervoering.
De wanden van de cel grijs, tot borsthoogte glanzend groen. Een ijzeren bed, een schuimrubber matras. Een emmer met een deksel. Geen spiegel.
Niet dat iemand in de ruimte voorlopig een spiegel nodig had. De enige bewoner van het kleine celletje lag op de grond voor het bed. Naakt tot op zijn zeemanspet, en koortsig dromend. Onder het bed loerden rode oogjes.
Een zachte klik. Ergens binnen in die onbegrijpelijke machine begon een gyroscoop te snorren…vuistgrote relais zochten contact met een filigraan synthetisch brein, en een diarree van impulsen en semi-logische associaties vond zijn weg naar een digitaal-analoog geestesoog…Mechanisch denken van topniveau, Hubble een camera obscura, zelfbewustzijn als laatste strohalm voor de instincten der huishoudelijke apparatuur…Het gieren van duizenden nanomotortjes…De Robot werd wakker…
Iemand had hem een briefje meegegeven met daarop een aantal onbegrijpelijke verzoeken en een waarschuwing. Losjes hield hij het tussen zijn vuurvaste vingertoppen en liet er zijn buitengewone sensoren op los…Infrarood, Ultraviolet, Ionen, Fotonen, Gammastralen, Superkritisch Citroensap, het Woord Gods en de slechte adem van een zwerver… “Let op!” Stond er geschreven, maar waarop er gelet diende te worden stond er niet bij…Pyjama, tandenborstel, verschoning, het leek wel een logeerpartijtje…Geen zwembroek? Geen indianenpak? Geen klompen of magische laarzen?…En waarom dan toch de moeite hem deze informatie op te dringen?
Het wilde niet dagen, het zuipen had hem werkelijk te zwaar toegetakeld…De jaren begonnen te tellen, hij voelde zich alsof hij door stoom werd aangedreven in plaats van door een magische krachtbron uit een verre toekomst, hierheen geteleporteerd door een team van desperate wetenschappers uit Dimensie X, een merkwaardige plaats waar alles net even anders was maar toch hetzelfde, echter bedreigd in haar voortbestaan door een snel oprukkende tijdruimtekromming en een hevig om zich heen grijpende onmacht het geschreven woord te begrijpen. Men deed liever aan telepathie, maar in de praktijk bleken de meesten daar mentaal nog niet rijp voor te zijn.
Sex, ja daar waren ze aan toe, maar gedachten lezen? De geest van een ander toelaten in het eigen brein? De genietingen van een mind melt?
Te moeilijk, te makkelijk wie zal het zeggen. In ieder geval ging het feest niet door en de enige uitweg uit de miserie was het sturen van een boodschap naar naburige werelden in de hoop niet volledig vergeten te worden, wellicht rekenden ze zelfs op een boodschap terug…Antwoord…Of hulp…Sciencefiction vandaag, primitief bijgeloof tomorrow…Echte dingen gebeuren altijd ’s nachts, leek het wel…De Nacht dat de Hemel spleet…
Het wilde maar niet dagen…En waar was de Kapitein gebleven…”Kapiteintje leef je nog…” neuriede de Stalen Reus met de vreemde naam (hij overwoog bij tijd en wijle zichzelf Stalin te gaan noemen maar was enigszins bevreesd voor de reactie van de directe omgeving, met name voor die van de Tijdelijk Flirt), zittend op de rand van zijn reusachtige bed, dat eigenlijk meer weg had van een lanceerinstallatie voor helse machines, een megalomane muizenval, iets met sissende pneumatiek en chroom, alle apparaten uit de sportschool in de bezemkast gestouwd, lampjes en pijpleidingen…Volautomatisch, dames en heren…De hully gully van robocop… Een vergeten attractie…Jammer…In zijn borstkas welde een snik op, zo diep als een glas smurfenbier, en dit emotionele moment werd ogenblikkelijk gevolgd door een lied…Een rock ballad…Zo!…Hoewel hij liever iets van Slipknot had gezongen besloot hij, ook met het oog op de goede verstandhouding met de buren, dat “Road to hell” van Chris Rea beter bij het moment paste…
Zijn gezang was van een legendarische schoonheid. Nee werkelijk, de rijken der Aarde verdrongen elkaar toen tijdens een moment van financiële flauwte de Kapitein de overweging kenbaar maakte de Robot in de uitverkoop te gooien. Natuurlijk niet alleen vanwege het zingen gewild, maar men had de consternatie moeten zien toen hij de eerste tonen aanhief. Zelfs een grensconflict in Latijns Amerika werd erdoor naar de onderhandelingstafel gedwongen, wilde immers niet iedereen vrede? En in de woestijnen van Afrika regende het voor het eerst in honderd jaar. Het gat in de ozonlaag heelde sneller dan verwacht en CO2 bleek niet de stuwende kracht achter het broeikaseffect. Dit bleek achteraf een echtpaar uit Zürich te zijn.
Maar dit keer kon de Metalen Vriend zingen wat hij wilde, hij bleef het gevoel houden dat hij iets vergeten was…Een gewist bestand…Windows 2000…geen autoback-up…Misschien een klein wandelingetje…Daar zou hij van opknappen ja…Een beetje verstrooiing zou hem goed doen. Het zou hem vanzelf wel weer te binnen schieten.
Zingend trok hij geen jas aan en verliet door een zijmuur het huis…
2) Bam thwok.

…doch slechts wanneer wij nader kennis maken met nieuwe vormen van dadendrang en eindeloos muteren zoals men die eigenlijk alleen uit andere sprookjes kent…
In Denemarken begonnen de dagen altijd precies zoals het hoorde. Vandaag was daarop dan ook geen uitzondering, al was Denemarken bij tijd en wijle ver weg.
’s Morgens ging keurig de zon op, en vanavond zou hij weer netjes achter een brandschone horizon verdwijnen. Niets aan de hand.
De stoepen waren pas geveegd en boden een aanblik als van pasgeveegde stoepen. Ook de bezems waren brandschoon en zonder sporen van enige slijtage.
Het grasveldje langs het trottoir was kort geleden gemaaid en nergens meer dan twee duimen hoog, en ook nergens minder. Het rook er naar versgebakken brood. Van de kranten las men slechts de strips. Een oase. Naïeve kunst…
In de verte naderden twee gestalten, nog te ver weg om aan hun gezichten herkend te worden, maar alles aan hun lichaamstaal verried dat het hier ging om op zijn minst oude vrinden. De een ‘n kop kleiner dan de ander, die druk gesticulerend een waarschijnlijk volledig uitgebalanceerd en samenhangend verhaal aan flarden ratelde, want horen kon men ze van verre.
Het ging er fors aan toe, luide uitroepen werden afgewisseld met kreten van protest en verbijstering en hoewel ze duidelijk de beste bedoelingen hadden sloegen ze elkaar met wisselende regelmaat stevig op het gezicht. Soms dusdanig dat met regelmatige tussenpozen de een dan wel de ander op de grond terechtkwam en dan weer overeind moest worden geholpen…
Het waren goede bekenden van de plaatselijke burgerij, die zeer wel op de hoogte was van het losbandige karakter van de Kapitein en zijn Sexy Robot. Men deed daar normaliter niets op uit, men zou er immers maar van schrikken, of een buil op het hoofd krijgen. Nee, gewoon de gordijnen dicht en wachten tot ze voorbij zijn, dat was al jaren de beste remedie. Bovendien gebruikten ze vreselijke taal, met af en toe grove woorden, en wie wil daar nou naar luisteren!?
Eén keer had buurvrouw Superdeboer er eens wat van willen zeggen, maar toen had die Stoute Robot toch zo ondeugend naar haar gekeken, dat ze de hele week niet meer naar buiten had gedurfd, en als ze het er nu nog wel eens schroomvallig over zou willen hebben, had ze vast en zeker blosjes gekregen en de ogen zedig neergeslagen.
De Kapitein was een klein maar beweeglijk mannetje. Er was weinig dat hem ontging. Hij was scherp, en donker. Goed van de tongriem gesneden, fijn in de kleertjes, gespierd, verweerd en altijd bezig met een project, een onderneming of de voorbereiding van een bizar avontuur. Immer in de weer met de meest uiteenlopende schemerzaakjes, waarvan een aanzienlijk aandeel het daglicht noch het onderzoekend oog der wet niet kon verdragen.
Zo wordt hij er nog steeds van verdacht de ganse voorraad schone onderbroeken van Koning Prullepap op een andere plek te hebben neergelegd, zodat de lakeien van de Majesteit twee weken hebben moeten zoeken. Dat was op zich natuurlijk niet zo’n drama, maar de Kapitein schijnt van de verwarring gebruik te hebben gemaakt om zich eens even het buikje vol te eten in de Koninklijke keuken en verpozing te zoeken bij zowel (…) de keukenmeid als ook bij Barones Q…, om er vervolgens met een klein fortuin aan allerhande contrabande tussenuit te knijpen. Er is nooit iets bewezen, maar zijn plotse rijkdom deed menig wenkbrauw fronsen en afgunst en verdachtmakingen gingen lange tijd hand in hand in het kleine koninkrijk. Ook schijnt hij via een duister handeltje over een schier eindeloze voorraad toversnoep te beschikken, en draagt hij nooit twee keer dezelfde broek.
Wat van dat laatste de reden is weet niemand.
De Sexy Robot is een heel ander verhaal. De Kapitein vond hem jaren geleden, toen hij nog een Ondeugende Scheepsjongen was, tussen een stapel oude kranten en een doos met afdankertjes op de stoep van café de Treurige Tovenaar te Doetinchem, met een briefje om zijn nek. “Fick mich” stond er geschreven, en aangezien ook een Scheepsjongen niet van steen was heeft het metalig rammelen tot in de kleine uurtjes de omwonenden uit hun slaap gehouden.
Sindsdien waren ze onafscheidelijk.
De Kapitein leerde hem praten, eerst wat onwennig maar later, zo rond de tweeduizendste aflevering van Lingo, ging het eerlijk gezegd prima met Sexy’s vocabulaire. Hij begon zelfs poëzie te schrijven, en droeg dat dan later met verve voor in kleine zaaltjes of gewoon in het park..
’t Waren mooie tijden. Hun vriendschap bloeide op en afgezien van enige perikelen rond een door hen beiden begeerde dame en de gebruikelijke toestanden rond de afwas leek het terugblikkend wel alsof die dagen een klein gouden randje hadden gekregen.
De begeerde dame werd later bruut uit dit aardse verwijderd door haar jaloerse echtgenoot, een champagne zuipende klasbak, en voor de vuile vaat schaften zij zich een afwasmachine aan. Een hersenloos ding dat desondanks door de Robot liefdevol “mijn kleine zusje” werd genoemd.
Ook was de Robot een graag geziene gast op feestjes, aangezien hij beschikte over een enorme database met aanstekelijke muziek en een schier eindeloos repertoire aan dijenkletsers.
Voorts bleek de Robot waterdicht te zijn en bestand tegen enorme temperatuurschommelingen en vuur. Zo redde hij ooit een peuter van de derde verdieping uit een brandend gebouw, en sleurde eigenhandig een halfverdronken boer met yak en al in een maanloze stormnacht op het droge.
Ook maakten wanhopig zoekenden graag gebruik van zijn helderziende gaven, en wist hij eens een jarenlang vermist object uit een zojuist gevangen karper op te duiken. Ik geloof dat het een ring was, maar het kan ook een vhs-recorder of een mensenhoofd zijn geweest.
Ondanks zijn metalen zwaarlijvigheid was de Geile Robot een uitmuntend danser en een opmerkelijk lichtvoetig atleet. Van zijn schaatsprestaties moet men zich echter geen al te grote voorstelling maken.
Zijn talenkennis daarentegen kon men met een gerust hart als verbluffend terzijde schuiven.
Tal van avonturen hadden ze beleefd, zeeën bevaren en piraten bevochten, bergen beklommen voor de hand van een dame, eigenhandig Hans Kazan verslagen, wereldwonderen en merkwaardige culturen zien sidderen op hun grondvesten, sneeuwpoppen gemaakt, met machtige slagen zich een weg gebaand door werkelijk een wolk van letters, tempels ontheiligd, vreemde pijpen gerookt, continenten en jaargetijden doorkruist, hun dagen tot het uiterste gevuld met doldriestheid en tactisch vernuft, in combinatie met een grote dosis geluk en een beetje bittere noodzaak.
En nu liepen ze hier! Uitgerekend hier, in dit keurige straatje, ergens in het netste en braafste landje ter wereld. Pets! Klats! Het was geen ruzie die hen tot dit gekibbel aanzette. Neen, ruzie is voor kleine geesten en mensen zonder hartstocht. Ruzie is voor ondergeschikten van aard, niet voor leiders en helden. Ruzie is immers machteloosheid.
Het was een veel kwaadaardiger vijand voor avonturiers zoals Kapitein Huppeldepup en zijn Pikante Robot, een duisterder en machtiger schaduw dan ze ooit hadden moeten ervaren. Een die toesloeg zonder aankondiging. Het Monster in de spiegel. Een larve aan de boezem van die oude Poppenspeler. De onbetwiste Meester van de Zondagmiddag. Kleur zonder uitweg. De Grote Leegte.
Dus waren ze op weg naar een café. Een café met harde muziek, grote potten bier, wilde vrouwen en een barman met een houten poot. Café de Mooie Schoft. Een duister hol met rokende fakkels aan de wand, en kamertjes die per half uur werden verhuurd. Goedkope jenever uit een jampot en een balletje mayo, met jus die meer weg had van Banditenscheisse en vermoedelijk ook zo smaakte. Kogelgaten in het plafond, lichtekooien en souteneurs achterin en bij de jukebox drie min of meer opgewonden leernichten. Dead Kennedys op een housebeat deden de speakers opbollen. Een dansend ding met twee hoofden en zijn kloon leefden zich uit op de meer dan alleen ritmische klanken. Twee mutanten en een parasiet speelden waku waku met het mes op tafel. Een kolos zonder oren vernietigde de aanwezige vegetatie met zijn adem en een Siamese drieling, gekoppeld aan het voorhoofd dronk ranja met een rietje. Gezelligheid kent geen tijd.
Matig energiek trapte de Robot de deur open (en eigenlijk meer uit de hengsels, maar dat gebaar maakte al aardig deel uit van de plaatselijke folklore zodat dit eigenlijk verrassend weinig indruk maakte op de overige gasten. Alleen de kastelein keek even zuur, maar het belang van de strijd tegen Alzheimer wist hem er snel overheen te helpen) en leviteerde naar de bar om een onvoorstelbare hoeveelheid schuldgevoel weg te gaan spoelen met een nog onvoorstelbaardere hoeveelheid lichte kroonolie voor rijwielen. De Kapitein kreeg een halve liter bier in een oude pothelm en een met jajem gevulde apenschedel (een schedel die al dan niet gelijktijdig aan meerdere apen heeft toebehoord). Ze zochten een tafeltje op en begonnen min of meer ontspannen om zich heen te kijken.
“Mij bevalt wat ik zie!” Zei de Machinale Man op een overdreven plechtige toon, als ware het om een naderend onheil te bezweren.
De Kapitein knikte lusteloos en nam een flinke teug uit de geopende en kunstig bewerkte bovenkant van het stukje jungleromantiek.
“Wat zie je dan, Metalen Sexbom? Een gewillige zeecontainer? Een wulpse kruiwagen?”
“Ik bedoel, ik ben blij dat ik hier ben en niet buiten op straat hoef te kijken hoe de buurvrouw de ramen tot in de puntjes weet te lappen, of haar schrale echtgenoot hoef te vertrappen bij het rechtkammen van de grasmat.” Zei de Mensmachine.
“Ik snap wat je bedoelt vriend, maar om hier nou hele dagen te gaan zitten mijmeren over de huwelijkse eed van George en Mildred werkt bij mij niet echt op de volledig ontspannen lachspieren.”
Het moge duidelijk zijn, de kou was nog niet helemaal uit de lucht, en de Robot trok een trieste snuit onder zijn gepolijst stalen gezicht.
Tenslotte was hij het die de Tijdelijke Flirt van de Kapitein onder de begoocheling van geveinsde tederheid had beloofd een oogje in het zeil te houden, om samen geen gekke dingen te gaan doen, en vooral, o voorál niet op pad te gaan om avonturen te beleven in verre vreemde oorden.
En de Kapitein was hem daar meer dan erkentelijk voor, op zijn manier. De Metalen Mens nam nog een teug lichte kroonolie voor rijwielen en zuchtte diep.
“We kunnen gaan dansen!? Zet ik vast een leuk muziekje op…” probeerde het Verchroomde Feestbeest, in een halfwas poging de sfeer ten goede te keren teneinde de klauwen van die sinistere geest zonder geest niet in zijn synthetische cerebrum te hoeven dulden.
De opzet slaagde... Met een ruk kwam de Kapitein overeind, dit was toch werkelijk de allerlaatste provocatie geweest en de blik in zijn ogen voorspelde een bovengemiddeld wilde flamenco. In een oogwenk bood het café een aanblik als ware het getroffen door een bestorming van bavianen zo groot als een stoomtrein. Alles ging aan flarden. De meisjes gilden, de leernichten enzovoorts, en er werden rake klappen uitgedeeld aan om het even wie. De lamp! De spiegel! Alles! O jeetje! Daar gaan we dan! Halleluja! Stampede! De vleesgeworden jukebox draait door op veler verzoek…
De Kapitein, bevangen door een ongekend wilde woede, zijn blik vertroebeld door een rood waas dat meelij noch bevrediging kent, joeg de volledige klandizie de straat op, zwaaiend met een tafelpoot zo groot dat die normaliter door drie meer dan volwassen meermannen getild had moeten worden. Het gele schuim stond hem op de lippen en rauwer kreten slaken dan de Kapitein op dat moment deed was menselijkerwijs niet mogelijk.
Hij loeide als een misthoorn. Een Yeti! Een Sasquatch! King Kong! Het verschuiven der Continenten! Zijn verwrongen gezicht verried een gemoedstoestand tussen ultiem genot en de honger naar méér. Een tollend spectrum van heidense beleving!
Hij was onkwetsbaar, een reuzendoder, een planeteneter! Hij, de zoon van Nimrod, Gods oogbal. Geven en nemen wilde hij. Spietsen en defenestreren. Hij voelde niets dan bloeddorst en brute lust. Carthago! Stalingrad! Speelgoed en Swastika’s. Flarden huid en tanden! De anus! Het hele gebeente! Er floot een hete wind door zijn hoofd, achter zijn ogen slechts een ziedende mistral! Horens en een lange staart! Das Panzerlied! Pis! Sperma! Ballen van kokend staal! Hij wilde de skelter van die kinderen daarginds aan gort trappen en ze zien huilen. Ha, grote plannen had hij, met dat speelgoed van ze. Versplinteren…Verpulveren…En dan maar brullen…
Met een verbaasde blik zakte de Zeebonk door de knieën. Kastelein Bruinjoekel, de mooie schoft zelf, had hem een kwartier lang rake klappen op het achterhoofd gegeven met zijn houten been en tegen de tijd dat veldwachter Pompiedom binnen kwam om de zaak te sussen lag onze vriend al netjes opgerold op het biljart, klaar voor transport naar het cachot. Of de Robot hem even wilde dragen, de veldwachter had namelijk een beetje last van zijn rug.

