
“Das darf doch nicht wahr sein” moet hij gedacht hebben. De hele schuur stond vol, en wat ze daar niet kwijt konden werd gewoon buiten neergezet.
Teder en pijnlijk zelfbewust koesterde hij de verlaten bloempot. Een kort briefje had hem in zeer heldere bewoordingen duidelijk gemaakt dat zijn voettocht voor niets was geweest. Een zinloze onderneming van begin tot eind. Een bittere pil. Gelukkig was hij goed bij machte de omvang van het menselijke drama in het juiste perspectief te zien, te relativeren en op waarde te schatten als leermoment.
Tijd om de volgelingen van borstvoeding te voorzien.
Ondertussen deed zich in het cachot van Veldwachter Pompiedom een situatie voor die tot op de dag van vandaag voor schrijnende taferelen zorgt, telkens men in de kelder van Slot Loevestein het licht aandoet.
Terwijl de hermandad een klein tukje deed op het beklaagdenbankje, nam het onderbewustzijn van de Kapitein de gedaante aan van een melkwegstelsel.
De Andromedanevel.
Beroemd om zijn vele culturen en rijk aan exotische levensvormen, was het dankbaar om er de spirituele tourist een excursie op maat aan te bieden.
Met onmetelijke snelheid zichzelf doorkruisend, verbijsterd door het pulseren der Cepheiden, zich oriënterend op de radiobron van M31, besloot de Kapitein te landen op een planeet genaamd Adolph, vermaard om zijn fraaie vergezichten. Een mooi stukje vakwerk.
Hij parkeerde zijn voertuig, een creatie van Borek Sipek welke nog het meest deed denken aan een paasei, aan de rand van een uitgestrekt en sfeervol subtropisch woud van wisselende samenstelling: op de lagere hellingen groeide een fraai gemengd bos van beuk, zilverspar en fijnspar, met enkele esdoorns, essen en op plaatsen met stagnerend grondwater elzen. Op grotere hoogte nam het aandeel van de beuk af en dat van de fijnspar toe. Op de hoogste hellingen groeide een vrijwel puur fijnsparrenbos. Hij vond het een mooi bos…
Wat het bos er zelf van vond is niet bekend, aangezien de gehele vegetatie met de rug naar hem toe stond en dientengevolge volledig onwetend was van zijn arriveren.
De vogels waren ook van hout en woonden in megalomane uurwerken. Omdat dit uiteraard ten koste ging van de vrolijke bosgeluiden zoals hij die thuis gewend was, besloot hij er zelf maar eens stevig op los te fluiten. En als de Kapitein gaat fluiten, dan gaat hij ook fluiten.
Tonen in luidheid en hoogte variërend van aangenaam zacht en laag tot hysterisch luid tierend en krijsend hoog deden bij de boswachter, een tienarmige veganist met een exoskelet en drie ogen, de waterlanders rijkelijk stromen. Dit ondanks het feit dat deze Vriend van het Woud op een respectabele afstand van honderd werst woonde en al jaren aan drie kanten doof was.
Hij besloot een kijkje te komen nemen. Een streven dat op zich hulde verdiende, maar in de praktijk op aanzienlijke bezwaren stuitte, aangezien hij deel uitmaakte van een symbiotisch verbond met een honderdtal kleine blauwe mannetjes, die geenszins van plan waren hun voornaamste voedselbron (zij leefden wederzijds van elkaars fecaliën) zo’n eind alleen op pad te laten gaan. Er werd een dorpsraad belegd en nadat men uitbundig een aanzienlijke hoeveelheid excrementen bij elkaar in de krop had achtergelaten kon er uiteraard van een normaal kringgesprek geen sprake meer zijn.
De Kapitein, onkundig gebleven van dit alles, besloot op zijn beurt eens een kijkje te gaan nemen bij wat wel een van de grootste attracties van de Andromedanevel genoemd wordt: een rivier van kristalhelder pils, op twee dagen loopafstand in de werkelijke wereld, doch aangezien het hier een hallucinoide droom betrof was hij er al op het moment dat hij er aan dacht.
Dat schoot tenminste aardig op en het scheelde ik weet niet hoeveel zeurverhalen achteraf. Man, wat had hij een dorst. De Kapitein trakteerde zichzelf uitgebreid op een pulletje gerstenat, en besloot zijn tent op te slaan. Dit ging zo mogelijk nog sneller dan de voettocht van twee dagen. Ook besloot de Kapitein dat het hebben van een lange baard meer in de sfeer van de omgeving paste. En hup. Daar was de baard, met pijp en al. Een vrolijk hoedje en een korte broek maakten het geheel compleet.
“Nu nog wat lekkere wijven!” had een voorganger in de vooruitstekende rotswand gekerfd.
Inderdaad werd het na verloop van tijd een beetje eenzaam. Bier uit de rivier, worst die men zo van de boom kon trekken, een nieuwe broek, opeens bleek hij ook uitstekend te kunnen jodelen. Allemaal leuk en aardig, maar lekkere wijven waren minder makkelijk bij elkaar te wensen dan lelijke kerels.
Die er trouwens ook niet waren. Waar het wel van wemelde waren kleine blauwe mannetjes die voortdurend steelse blikken op zijn achterste wierpen.
De zon ging onder, de zon kwam op.
Na een stevig ontbijt van bier en worst wankelde de Kapitein naar een nabijgelegen nederzetting om het in de plaatselijke bar aan te leggen met creaturen die men gewoonlijk niet in zulke etablissementen aantreft. Een afschuwelijke slachtpartij was het gevolg. Daar de Kapitein bij dit in gewelddadigheid onovertroffen handgemeen zijn duim bezeerde, mag het geen wonder heten dat hij het wonderschoon uitjodelde van ongenoegen. Wederom werd er een dorpsraad belegd bij de boswachter.
dinsdag 26 december 2006
5) Obersalzberg.
Abonneren op:
Posts (Atom)

